ac·coun·tant (dem; accountants)
1 iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
ac·coun·tant-ad·mi·nis·tra·tie·con·su·lent (dem; accountant-administratieconsulenten)
1 accountant zoals in de wet omschreven
ac·coun·tants·ver·kla·ring (dev)
1 verklaring waarin een controlerend accountant zijn oordeel uitspreekt over het gevoerd beheer, de balans en winst-en-verliesrekening van een onderneming
Accountants controleren jaarrekeningen van bedrijven, zodat aandeelhouders en andere gebruikers van deze financiële informatie er op kunnen vertrouwen dat de cijfers een betrouwbaar beeld geven. Een accountant is daarmee de vertrouwenspersoon van het maatschappelijk verkeer. Het Burgerlijk Wetboek verplicht organisaties met een bepaalde omvang tot controle van de door hen opgestelde jaarrekening. Alleen een accountant mag deze zogenaamde wettelijke controle uitvoeren. Hij of zij stelt vast of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid, en geeft een oordeel daarover weer in een accountantsverklaring.
Bij deze wettelijke controle is onafhankelijkheid en objectiviteit een basisvoorwaarde, omdat alleen een onbevooroordeeld tot stand gekomen accountantsverklaring waarde heeft.
De controle van een accountant resulteert in een accountantsverklaring. Een goedkeurende accountantsverklaring impliceert dat een gebruiker met een gerust hart beslissingen kan nemen op basis van de gecontroleerde informatie. Aandeelhouders kunnen zich zo bijvoorbeeld een beeld vormen van de onderneming waarin ze beleggen. Overheidsinstanties kunnen ze gebruiken bij de beslissing om subsidies te verstrekken. En voor banken is gecontroleerde informatie van belangbij een beslissing over een kredietaanvraag. Het nut van de accountantsverklaring
is dus voor elke gebruiker anders.
Een accountant doet veel meer dan alleen maar cijfers checken. Hij is een expert op het gebied van administratieve organisatie en maatregelen voor interne beheersing. Die expertise heeft hij nodig bij zijn controle, omdat hij daarbij steunt op de interne organisatie en de ingebouwde controles in de organisatie. Alleen als processen intern goed worden beheerst, kan hij zekerheid verkrijgen over financiëlestromen en posten in de jaarrekening. Een accountant stelt dan ook bijvoorbeeld vast of met betrekking tot de financiële informatie:
• medewerkers de interne beheersingsprocedures goed uitvoeren;
• geautomatiseerde systemen betrouwbaar functioneren en voldoende ingebouwde controles hebben;
• er adequate fysieke en geautomatiseerde eveiligingsmaatregelen zijn;
• er voldoende interne beheersingsmaatregelen worden uitgevoerd.
Een accountant stelt dus vooral vast dat de gecontroleerde organisatie zelf de processen adequaat beheerst en daardoor betrouwbare financiële informatie tot stand kan brengen. In de afrondende controlefase controleert de accountant of de door de organisatieopgestelde jaarrekening juist is afgeleid uit de financiële administratie, en stelt hij vast of deze jaarrekening voldoende inzicht biedt en ook verder voldoet aan de wettelijkeeisen.
Dat deel van het werk komt nog het meest overeen met het beeld
dat de maatschappij van een accountant heeft: iemand die de cijfers checkt. Maar een accountant doet dus veel meer.
Een accountant verkrijgt zekerheid door het beoordelen van de interne beheersingsmaatregelen van de gecontroleerde organisatie. Hij/Zij doet dat vaak steekproefsgewijs, en alleen al daarom kan accountantscontrole nooit tot honderd procent betrouwbare informatie leiden.
Een integrale controle door een accountant is in de meeste gevallen een onmogelijke of op zijn minst onevenredig kostbare operatie. Zijn controleprogramma berust dan ook op risicoanalyse. De accountant beoordeelt, op basis van zijn kennis van de organisatie en diens omgeving, waar de grootste risico’s liggen dat er iets niet goed gaat in de processen en financiële stromen.
Juist op die kritische terreinen voert hij diepgaande en uitgebreide controles uit, terwijl terreinen met een lager risico beperkter door hem/haar worden beoordeeld.
Bovendien hanteert de accountant het zogenaamde materialiteitsbeginsel. Dit betekent dat niet elke ‘fout’ in de jaarrekening van belang is voor de accountantsverklaring. Tenslotte zijn er vrijwel altijd subjectieve posten in de jaarrekening. Het saldo op een bankrekening is tot achter de komma vast te stellen, maar bijvoorbeeld de waarde van een machinepark is al veel moeilijker objectief vast te stellen. Nog lastiger is het waarderen van een octrooi waarmee in de toekomst mogelijk veel geld kan worden verdiend. De financiële wijsheid ‘cash is fact, profit is an opinion’
maakt duidelijk dat sommige posten niet eenduidig meetbaar zijn, maar moeten worden geschat. De accountant stelt zich bij het beoordelen van deze schattingen kritisch op en stelt vast of de gehanteerde uitgangspunten goed zijn.




